Rijnlandse dracht

Over Rijnlandse dracht
1850-1880
Voor heel Delfland en Rijnland van Zandvoort tot Amstelveen, en van Vlaardingen tot Schiedam droegen zei dagelijks dezelfde Rijnlandse klederdracht behalve als je naar het strand ging of in de rouw was voor je overleden partner dan was het dragen van de klederdracht niet hetzelfde want als je in de rouw was droeg je hele zwarte kleding.
De drachten in de vissersplaatsen als Scheveningen en Katwijk weken af maar dat wilde niet zeggen dat deze ‘Rijnlandse’ streekdracht onveranderlijk was, zij werden namelijk beïnvloed door de stadse mode en de behoefte aan eigen accenten.
Zichtbaarheid Rijnlandse dracht
Oudste foto's die je nog kunt vinden over de Rijnlandse dracht dateren uit het jaar 1865 ongeveer en toen steeds meer mensen een portret konden veroorloven zag je steeds meer de mensen in de dracht op de portretten maar ook op schilderijen verscheinen en foto's.
Onderdelen van de dracht
Het kenmerkendste onderdeel van de dracht was de kap. Door de week droegen vrouwen en meisjes een simpel Hollands hulletje van geborduurd batist, katoen en later stiptule (een kantachtig weefsel met stipjes). Zij droegen die over een zwarte ‘mopmuts’, een ondermuts waarvan de punten omhoog werden gespeld.
’s Zondags en bij speciale gelegenheden kozen ze een kap met een strook kant want dat was een teken van luxe, want kant was duur. Over de kap konden ze een zwart ‘kapothoedje’ dragen (naar het Franse woord voor ‘hoed’: chapeau).
Sieraden
Bij een kap hoorden sieraden. Het grootste was het oorijzer, dat van zilver of goud was, desnoods van ijzer. Daarnaast droegen de vrouwen ‘boeken’ (rechthoekige sieraden aan weerszijden van het oorijzer), boekenbellen en zijnaalden. Meisjes spaarden voor een op maat gemaakt oorijzer en voor sieraden, tenzij ze die van hun ouders kregen. Protestantse vrouwen droegen hun kap vanaf hun belijdenis rond hun achttiende jaar. Rooms-katholieke meisjes begonnen daar meestal iets eerder mee.
De tas
Hun tas droegen de vrouwen onder hun bovenrok. waar hij aan een van de rokken was bevestigd. Het kon ook een losse zak zijn, die ze om hun middel bonden. Zo’n tas of zak konden ze tevoorschijn halen via een opening in de zijnaad van de bovenrok. De tassen waren prachtig geborduurd of van kraaltjes geweven. Vrouwen hadden ze dan ook vooral bij zich op zon- en feestdagen, als ze niet aan het werk waren.
Mannen in werkkleding
De kleding van de mannen was minder opvallend. Op foto’s dragen zij meestal een broek, een nauwsluitend overhemd (‘boezeroen’) en een lange jas. Op doordeweekse dagen gingen ze gekleed in een werkbroek met een klep aan de voorkant, een korte jas en een pet.